Preken lezen

Preek laatste dienst Thamerkerk, 10 september 2017

Lezingen: 2 Samuël 7:1-11 – Romeinen 12:9-21

Gemeente van onze Heer,

Waarom komen we naar de kerk? Volgens de ouderling van dienst die ons welkom heet, komen we voor ‘de ontmoeting met God en met elkaar’; een formule die als je er goed over nadenkt niet zo heel helder is. Want elkaar ontmoeten, dat zal wel lukken, maar dat kan overal. Maar God ont­moeten, dat is een ander verhaal. Hoe doe je dat eigenlijk, wat gebeurt er dan, waar vind je God, waar woont hij, waar is zijn huis?

In Amsterdam staat een kerk met daarop de tekst ‘Dit is het huis van God, dit is de poort van de hemel’. Zo, die is duidelijk! Ik stoor me daaraan, zo’n pretentie, zo’n zelfverzekerdheid – gelukkig staat het er in het Latijn… Want hoe weet je zo zeker dat God bij jou verblijf houdt?! Zeker als je weet dat die woorden afkomstig zijn uit het verhaal van Jakob, als hij bij Bethel (‘huis van God’) zich te ruste legt, en een droom krijgt, en dan achter­af pas beseft: hier was God! Niks zelfverzekerdheid, niks planning, het overkomt je, ineens gebeurt het, ‘zien, soms even’. God is een geheim; zijn aanwezigheid is een geschenk.

En toch is er die menselijke behoefte, een plek voor God te creëren.

We lazen hoe David op dat idee komt. Eigenlijk heel eenvoudig: zoals hijzelf in een huis woont, een paleis, zo stelt hij zich voor dat ook God een huis toekomt. De ark, de kist met de stenen tafelen, Gods woorden, die moet een fatsoenlijk onderkomen hebben, niet die tent waar ‘ie nu staat. Tent is tijdelijk, en God onwaardig.

De profeet Natan, die David zijn hele leven kritisch begeleidt, ziet er geen probleem in: ‘Ga uw gang, koning, goed idee, God is met u!’ Maar de profeet heeft voor zijn beurt gesproken. ’s Nachts komt de Heer naar hem toe en fluit hem terug. God neemt hem in gedachten mee terug naar de woestijntijd – dat gebeurt altijd bij fundamentele vragen. Daar in de woestijn is het begonnen, daar ligt de bakermat van Israëls geloof. En God zegt tegen de profeet, dat ‘ie aan David een vraag moet voorleggen, zo’n vraag waarop het antwoord wel duidelijk is: Was er een Godshuis in de woestijn? Had ik opdracht tot de bouw van een tempel gegeven?

Dat is een ontregelende vraag, van het soort waar de bijbel goed in is. In het boek Jeremia vraagt God ineens (7:21-22): ‘Dat offeren, had ik jullie daar eigenlijk opdracht voor gegeven?’ – en daar sta je dan in je hemd. Je dacht zo goed je best te doen voor God, en ineens krijg je te horen: wat ben je eigenlijk aan het doen? Hier zegt God met zoveel woorden: ‘Dat huis, dacht je eigenlijk dat ik dat nodig had?’ En je mag erbij denken: was het nou niet precies tentdoek, waarmee het in de woestijn begonnen is? En staat dat tentdoek niet voor mobiliteit, makkelijk kunnen optrekken, niet vastzitten maar onderweg zijn, en gaat het dan niet over een God die ‘kampeert’ bij zijn volk, die met ze mee­trekt?

God vertelt dan via de profeet aan David, wat hij allemaal voor hem gedaan heeft: hij heeft hem geroepen vanachter de schapen vandaan, is met hem geweest, heeft hem verlossing van vijanden geschonken. En er komt een belofte achteraan: ik zal met jou en je volk zijn, en ze rust geven. God klinkt niet boos, niet verontwaardigd, maar de verhoudingen worden wel helder neergezet: wie de Gever is, en wie de ontvanger. David krijgt niet de kans de royale koning uit te hangen, die alles voor elkaar heeft en ook de religie goed heeft geregeld: natuurlijk, voor de Heer moet er ook een mooi huis zijn. Nee, de koning moet beseffen dat de verhou­dingen om­gekeerd zijn. Daarom komt in het laatste vers dat we lazen ook het woord ‘huis’ terug, maar nu omgekeerd: niet David zal voor God een huis bouwen, maar God zal Davids ‘huis’ vestigen – wij kunnen dat met dezelf­de beeldspraak zeggen: het ‘huis van David’, het koningshuis.

Is de bijbel, is God, dan tegen Godshuizen? Nee, dat niet. Later zal die tempel er wel degelijk komen, bij Salomo al, Davids zoon. En dan zal ‘ie ook mooi mogen zijn, met kundige bouwers en prachtige materialen. Maar ook bij Salomo is het besef gebleven dat het eigenlijk niet kan, een huis voor God:

            Zou God werkelijk op de aarde wonen?

            Waarlijk,

            zelfs de hemel en de hemel der hemelen kan u niet omvatten,

            laat staan dit huis dat ik voor u gebouwd heb. (1 Kon. 8:27)

Salomo ontwikkelt in dat gebed gedachten over de tempel: een gebouw dat God niet claimt, niet vastlegt – daarom ook geen beelden – maar een menselijke plek van samenkomst waar tegelijk naar boven wordt gekeken, de wet gelezen, de lof gezongen, de gebeden gezegd, schuld vergeven, de rituelen beoefend. Een plek voor je eigen mensen maar ook voor de vreemdeling (1 Kon. 8:41-43), en waarvan je hoopt, gelooft, vertrouwt, dat God erop neerziet, zo niet er woont, dan toch erbij betrokken is, er iets op uitdoet.

Zo’n plek is deze kerk bijna twee eeuwen geweest. En dat eindigt vandaag.

De Thamerkerk is gebouwd als een Godshuis, een kerk. Hij is ook een publieke ruimte geweest, en steeds meer geworden – er wordt hier gemusiceerd en gefeest, er zijn hier recepties, concerten, officiële ceremonies en presentaties, op 4 mei gedenken we er met z’n allen – en dat blijft op een of andere manier. Maar het was allereerst een plek voor de samenkomst van de gemeente, waar mensen Gods woord hebben gehoord – gehoord, dat vooral, het was voor het grootste deel wel een protestantse kerk. In die bijna twee eeuwen van deze kerk, en in de ruim vier eeuwen van deze gemeente, is er ongelooflijk veel veranderd. Het predikantenbord spreekt nog van de ‘Heeren predikanten’ en dat klopt al geruime tijd niet meer: we hebben al diverse vrouwelijke voorgangers gehad, en er klopt nog iets niet: dat het bord blijft steken bij de hervormde geschiedenis – met slechts als voetnoot vermeld, dat er een federatie werd gevormd met de gereformeerde kerk – en toen was het bord vol… Ook daar is wat veranderd: het valt mij op dat bij alle discussies van de afgelopen paar jaar dat nooit meer een punt is geweest, de kerkelijke herkomst van dit gebouw. Ik geloof dat er zeker evenveel ‘voormalig gereformeerden’ als ‘voormalig hervormden’ treuren over het verlaten van dit gebouw. 

Na vandaag stoppen hier de reguliere erediensten. Als protestantse gemeente gaan we geen gebruik meer maken van dit gebouw. Dat klinkt radicaal – had dat niet een beetje meer geleidelijk gekund? – maar we hebben daar goed over nagedacht en bedacht dat we daar geen goed aan zouden doen: dan wordt het zo sneu, steeds minder en nog wat minder, het blijft energie van ons vragen, en de pijn wordt elke keer opnieuw gevoeld als wéér een geliefde dienst toch niet hier gehouden wordt. Zo komen we tot deze afsluiting, gisteren en vandaag.

Dat betekent niet dat de kerk nu ‘ontwijd’ wordt of haar ‘heiligheid’ kwijt­raakt, of zoiets. De keuze voor de locatie van rouw- en trouw­diensten is vrij, en dat mag dus ook hier zijn, zolang het gebouw daarvoor beschik­baar is. Wij protestanten kennen geen ‘gewijde’ gebouwen, en dat heeft een diepe zin: de plek wordt heilig door wat er gebeurt! De plek bij de brandende braamstruik waar Mozes zijn schoenen moest uitdoen, was heilig omdat God daar was en aan hem verscheen. Waar mensen in zijn naam bijeen zijn, al zijn het er maar weinig, daar is sprake van een heilig moment, daar wordt het een heilige plek, daar is God in hun midden: of het nu hier is, of onder de blote hemel, in een gymzaal of een school­kantine, een huiskamer – of een tent.

Maar natuurlijk zijn wij mensen! En wij hebben die gehechtheid aan een sfeer, een gebouw, gisteren uitgebreid door velen onder woorden gebracht. Daarom is dit een verdrietig moment, omdat we iets gaan missen. Daar is niks verkeerd aan, dat mag je laten zien. ‘Zakdoeken mee’, zei iemand. ‘Ik heb een laken nodig’, zei iemand anders, en daar hoef je je niet voor te schamen. Ik voel dat met u mee! Gisteren hoorden we de verhalen, de herinneringen, we zagen een aantal zeld­zame foto’s (zeld­zaam, want dat deed je vroeger niet, zeker niet tijdens de kerk­dienst). We hoorden over de mooie momenten hier meegemaakt, de huwelijken, de dopen, de uitvaarten ook. Maar ook de preek of het lied die je zo raakten dat je er een ander mens van werd. Ik heb zelf letterlijk een ingebrande herinne­ring aan de Thamerkerk die ik elke zondag meedraag: vorig jaar tijdens de Paaswake woei het ontstellend, en bij het aansteken van de paaskaars buiten bij het houtvuurtje heeft een vonk een gaatje in de mouw van mijn toga gebrand… Mogelijk hebben sommigen van u herinneringen die in hun ziel gebrand zijn. Daar is ruimte voor, gisteren, vandaag, en dat blijft.

Toch zou ik geen goede pastor zijn, en al helemaal geen goede prediker, als ik het nu hierbij zou laten, en als we in een begrafenisstemming deze dienst zouden besluiten in weemoed en treurnis. Collega Opweg zei het heel simpel, misschien te simpel voor u maar hij heeft wel gelijk: deze kerk is de enige niet. De Kerk stopt niet: de kerk is niet het gebouw, de kerk, dat zijn wij. Het verhaal gaat door. Volgende week is er weer kerk – zij het op een andere plek.

* * *

Ik ga terug naar David, want die gaat ons nog een keer helpen. David wil een tempel bouwen rondom de ark van het verbond. Dat is op zich een goed idee, dat is de kern van de zaak, het hart van het geloof van Israël. Stenen platen waarop de woorden van God geschreven staan. Net ietsje uitgebreider dan de Gulden Regel die ik aan de kinderen vertelde, geïnspireerd door Karen Armstrong, staat daar: ‘Ik ben de Heer, die je uit de slavernij bevrijd heb; je zult geen andere goden aanbidden, mijn naam niet mis­bruiken, van ophouden met werken weten, je voorgeslacht eren, geen bedreiging zijn voor elkaars leven, elkaars bezit en elkaars goede trouw’. Maar waarom staat dat daar? Toch maar om een reden, namelijk opdat we het gaan doen?! De bedoeling van die stenen tafelen is toch niet, om ze als in een museum te bewaren, te bewieroken, te vereren? Ja, dat mag allemaal wel, maar dat doe je omdat je de betekenis, de inhoud, hoog acht.

En daar komt het op aan: of we dat meedragen. Paulus helpt ons daar ook bij, trouwens, die heeft het over broeder- en zusterschap, onderlinge liefde, je bekommeren om elkaar, het goede zoeken voor elkaar; en bescheiden, ieder op je eigen manier, je plek innemen, je rol spelen, je gaven gebruiken. Zo zijn we samen kerk.

Gebouwen, tempels en kerken, zijn nooit voor de eeuwigheid. Die prachtige tempel die Davids zoon Salomo heeft laten bouwen, die is een paar eeuwen later verwoest, en de ark met de stenen platen – weg! Ver­dwenen, niemand weet waar ze gebleven zijn. Hield het toen op, met geloof, godsdienst, trouw aan de God van Israël? Integendeel, het werd intenser, krachtiger, vuriger. En het verhaal van die tempel vertellen we nog steeds! Waar zijn die stenen platen met de tien geboden gebleven? De overlevering zegt, dat de profeet Jeremia ze gered heeft en verstopt, tot de jongste dag. Het zou kunnen, maar die profeet zelf is in iets heel anders geïnteresseerd: die schrijft over de wet, die in ons hart geschre­ven staat, die onszelf vernieuwt, en dat dát pas de ware gods­kennis is, dat je zijn woorden op het hart draagt – natuurlijk om die te doen (Jer. 31:33-34). Dat vergaat nooit.

* * *

Waar woont God? In de hemel natuurlijk. Maar waar op aarde? Heeft hij vanaf vandaag één locatie minder? Dat zou een misverstand zijn. Hij is eerder die zwerver ‘zonder vaste woon- of verblijfplaats’, dan dat hij alleen maar te vinden is in gebouwen waar dat, al dan niet met Latijnse spreuken, opgeschreven staat.

Waar woont God? Een rabbi wist het antwoord: ‘God woont daar waar men hem binnenlaat’. Dat is wat blijft. Aan ons de vraag of wij erbij willen blijven, God en elkaar willen blijven ontmoeten, waar dan ook, en of we hem willen binnenlaten. Amen. 

Bezinning en Verdieping

Life@Faith

Life@Faith

Life@Faith wordt gevormd door een klein aantal jongvolwassenen.

Iedere tweede donderdag van de maand van 20.30 tot 22.00 komen wij bij elkaar in de huiskamer. Iedereen (tussen de 19 en 50 jaar) die zich me

CB Login